Het onderwijs van morgen volgens Arie Slob
Arie Slob is fractievoorzitter van de Christen Unie in de Tweede Kamer. Na 11 jaar voor de klas te hebben gestaan werd hij onrustig. Via de schoolbegeleidingswereld en zijn raadslidmaatschap in Zwolle is hij in zijn huidige functie terecht gekomen. Toen hij begon met studeren was het nooit zijn bedoeling geweest om docent te worden: ‘Ik wilde gewoon geschiedenis studeren’. Een interview met een man die het onderwijs van binnen naar buiten kent.
De heer Dijkgraaf gaf in het vorige interview het stokje aan u door. Waarom koos hij voor u?
Elbert Dijkgraaf weet dat ik een onderwijsman ben. Ik kom uit de onderwijswereld en weet wat er speelt. Net als Dijkgraaf gaat het mij om de kwaliteit van het onderwijs en de verbetering hiervan. We moeten zaken die niet goed gaan niet wegdrukken, maar er juist iets aan proberen te veranderen. Daarnaast moeten we ook trots zijn op de dingen die wél goed gaan. Want er gaat een hoop echt heel goed.
Kunt u hier een voorbeeld van geven?
De enorme motivatie van het onderwijspersoneel. Het gros staat met heel veel overtuiging voor de klas. Maar ook de mensen van de schooladministratie en de conciërges, bijna allemaal doen ze dat vanuit liefde voor het onderwijs. Dat mogen we wel eens wat meer gaan waarderen, niet alleen in salaris, maar ook in hoe we ons daarover uitspreken. Dit zijn functies die voor de toekomst van onze samenleving ontzettend belangrijk zijn.
U begon uw onderwijscarrière in 1985, als docent maatschappijleer en geschiedenis, wat is er sindsdien veranderd in het onderwijs?
De professionaliteit is toegenomen. Dit komt door de technische mogelijkheden maar ook door de extra bagage van de docenten, door de mogelijkheden van na- en bijscholing. Didactische en pedagogische bijscholingen zijn zeer belangrijk. Dit komt de kwaliteit van het onderwijs weer ten goede. Door de bezuinigingen die nu worden doorgevoerd moeten we ons afvragen of we nog wel de kwaliteit kunnen leveren die we willen leveren, of we de docenten nog kunnen bieden wat ze nodig hebben en of we de leerlingen nog een omgeving kunnen bieden waarin ze zich veilig voelen. We zitten nu in een riskante fase. Mede daarom heb ik een onderwijsdag georganiseerd. Om even te kijken: waar zijn we nou mee bezig? Waarom doen we wat we aan het doen zijn? Maar vooral ook: hoe gaan we met elkaar om.
Slob organiseerde afgelopen 17 maart een Onderwijsdag, waarvoor hij politici, leraren, schooldirecteuren en onderwijsbonden uitnodigde om met elkaar het gesprek aan te gaan.
Hoe is die onderwijsdag gegaan?
Dit was een heel positieve dag. Er zijn mensen weer met elkaar in gesprek gegaan die daarvoor met de ruggen tegen elkaar aan stonden. De situatie was namelijk zorgelijk. Dit had ik nog nooit meegemaakt, en ik volg het onderwijs al een jaar of dertig. Het zit in mij om vanuit mijn politieke rol partijen bij elkaar te krijgen, en bij elkaar te houden. Ik gebruik de definitie van Lea Dasberg over opvoeden als het gaat om het doel van het onderwijs: het begeleiden van kinderen naar volwassenheid. De partijen die op de Onderwijsdag aanwezig waren hebben allemaal verschillende standpunten en verantwoordelijkheden, maar we hebben wel deze gezamenlijke doelstelling.
U heeft hier duidelijk een verbindende rol vervuld. Wat heeft u nog meer bijgedragen aan het onderwijs?
Ik ben in 1985 begonnen met lesgeven. Maatschappijleer was toen nog geen examenvak dus leerlingen boeide het natuurlijk helemaal niets. Je moest je daarom knetterhard inzetten om de intrinsieke motivatie van leerlingen aan te spreken. Ik gaf over een grote verscheidenheid aan onderwerpen les. Zo heb ik bijvoorbeeld les gegeven over terroristische organisaties als de ETA, over een toen nog weinig besproken probleem als anorexia nervosa, over de werking van de media, politieke besluitvorming enz. Ook haalde ik gastsprekers naar de school, zoals een ex-crimineel die vertelde over hoe zijn leven was gelopen, dat zijn moeder en tante bivakmutsen zaten te breien toen hij jong was. Iedereen, ook ik, was ademloos. Uiteindelijk bleek deze man nog altijd een dubbelleven te leiden. Daarna ging ik het gesprek aan met leerlingen: deze man is dader en slachtoffer tegelijk. Dat blijft hangen. Ik ontmoet nog regelmatig oud-leerlingen die me dit bevestigen, dat is erg leuk om te horen. Dus wat heb ik bijgedragen? Ik ben maar een heel klein schakeltje geweest in het proces van heel wat jongeren in de weg naar volwassenheid, maar ik liep al best vooruit op onderwijsontwikkeling door de werkvormen die ik koos.Dat gold overigens voor alle docenten maatschappijleer. Frontaal lesgeven was echt geen optie.
Speelt uw onderwijsachtergrond een rol in uw huidige politieke rol?
Ik weet wat het is om met kinderen te werken, om voor de klas te staan. Ik heb de krijtdampen nog ingeademd, hierdoor heb ik – zo denk ik – iets meer gevoel dan anderen voor de onderwijsprocessen. Maar vanuit de politiek met onderwijs bezig zijn, op bestuurlijk niveau, is wel weer iets heel anders. Maar het helpt absoluut, die ervaring.
Begrijpt u de stakingen van de laatste tijd?
Nou, ik ben niet opgevoed met staken. Maar ik snap het gevoel dat aan de stakingen ten grondslag ligt heel goed.
Denkt u dat dit de beste manier is voor docenten om hun onvrede te uiten?
Ik weet niet of het de beste manier is, maar het is natuurlijk wel een heel aansprekende manier. Een stadion met 50.000 leerkrachten is natuurlijk ongekend.
Heeft dat impact gehad op het binnenhof?
Niet op de besluitvorming, die is gewoon doorgegaan zoals gepland. Maar je kunt niet ongevoelig blijven voor wat voor signaal hiervan uit gaat. Maar de coalitie, de gedoogpartner en de SGP hebben hun rug recht gehouden. De Christen Unie heeft tegen het wetsvoorstel gestemd. Er kan best iets veranderen aan de structuur en de wetgeving rondom passend onderwijs, maar gekoppeld aan deze bezuinigingen zadel je het onderwijs met enorm grote problemen op. En daardoor natuurlijk de kinderen die in deze klassen zitten en de leerkrachten die voor deze klassen staan. Voor ons is dat niet acceptabel.
Dan nu de kernvraag van dit interview: hoe ziet u het onderwijs van morgen?
Wat bij mij de rode draad is en altijd geweest is, is geef de professionals in de praktijk de ruimte om hun werk te doen. Ze moeten wel afgerekend worden op bepaalde prestaties: hoe wordt er met het geld omgegaan, wat levert het onderwijs aan resultaten op? Er gaat jaarlijks meer dan 30 miljard naar onderwijs toe, dus daar moet verantwoording over worden afgelegd. Maar de leerkrachten moeten wel de ruimte krijgen. We belijden vaak met de mond dat dit moet gebeuren, maar de besluitvorming hier in Den Haag staat daar toch wel ver van af. Den Haag wil te veel invullen voor en meedenken met het onderwijs, over hoe ze het moeten gaan doen. Geef professionals dus de ruimte en zie onderwijs niet alleen in economische termen. Vorming is meer dan alleen dat.
Aan wie zou u het stokje willen overdragen?
Aan Jaap Smit, voorzitter van het Christelijk Nationaal Vakverbond. Hij is theoloog maar heeft ook veel met jongeren te maken gehad. Het CNV-Onderwijs is de bond die personeel uit het onderwijs vertegenwoordigt. Ik ben wel benieuwd hoe Smit vanuit zijn positie over de toekomst van het onderwijs denkt. En of hij persoonlijk recent mee heeft staan staken.
