Het onderwijs van morgen volgens Joseph Kessels
De carrière van Joseph Kessels is indrukwekkend. Ruim vijfendertig jaar geleden richtte hij samen met Cora Smit Kessels & Smit, The Learning Company op, dat inmiddels is uitgegroeid tot een gerenommeerd internationaal advies- en onderzoeksbureau op het gebied van opleiden, leren en ontwikkelen. In Leiden was hij bijzonder hoogleraar Bedrijfsopleidingen, in 2000 werd hij hoogleraar Human Resource Development aan de Universiteit Twente, en zeven jaar geleden werd hij aangesteld als decaan van TSM Business School. Sinds mei vorig jaar is hij ook aan de Open Universiteit verbonden als hoogleraar Opleidingskundig leiderschap en is daar werkzaam bij LOOK – het wetenschappelijk instituut voor lerarenonderzoek.
Kessels’ interesse richt zich voornamelijk op het onderzoeken en ontwerpen van leeromgevingen die te maken hebben met kennisproductiviteit en –innovatie. Kessels is groot voorstander van individuele talentontwikkeling, hij pleit voor een betere leercultuur op de werkplek en een intensieve samenwerking tussen docenten.
U bent een groot voorstander van meer aandacht voor het individuele talent. De dagelijkse praktijk op scholen ziet er anders uit, met een focus die voornamelijk ligt op het opschroeven van Cito-scores en andere gestandaardiseerde toetsen. Ook krijgen vakken als taal en rekenen tegenwoordig steeds meer prioriteit in het onderwijs, omdat de resultaten daar onvoldoende zijn.
“Het Centraal Planbureau heeft begin van dit jaar kritiek geuit op de gang van zaken in het onderwijs: er is een hoop geld geïnvesteerd dat niet direct tot kwalitatieve verbetering heeft geleid. De druk die daardoor ontstaat op kwaliteitsverbetering wordt door bestuurders tamelijk eenzijdig vertaald in de nadruk op taal- en rekenscores. Dat lijkt op het No Child Left Behind programma van oud-president Bush in Amerika, waarin via zogenaamde Adequate Yearly Progress-scores scholen elk jaar gedwongen worden om beter te scoren (op rekenen en taal). De zwakke scholen worden met zo’n aanpak echter niet sterker, terwijl het aantal leraren dat gedemotiveerd raakt toeneemt, en het vak zijn aantrekkelijkheid verliest.”
“In het Finse systeem gaat het heel anders: daar is nauwelijks sprake van gestandaardiseerde toetsen, toezicht van de inspectie en brengen kinderen het minste aantal klokuren door op school vergeleken met de rest van Europa. Toch worden de Finse scholen elke keer geprezen om hun uitzonderlijk hoge scores. Finse leraren zijn niet bezig om voortdurend die scores omhoog te drukken, maar juist om in onderling overleg en collegiale samenwerking lastige vraagstukken in het onderwijs aan te pakken. Hoe pak je de belangstelling van kinderen, en hoe werk je aan de persoonlijke aandacht op die punten waar het nodig is? Het gaat om werken aan vakmanschap, en dat doe je met elkaar. De instrumenten van druk uitoefenen, dwang, afknijpen en straffen zoals in het programma van Bush werken averechts op de motivatie van leraren. De professionele ruimte wordt kleiner, en uiteindelijk zie je dan ook dat veel leraren van een jaar of vijfenveertig opgeven en niet meer aan hun ontwikkeling werken.”
Toch worden taal en reken het zogenaamde ‘zuurstof van het onderwijs’ genoemd.
“Dat is een term die volgens mij niet helemaal past bij vakken als taal en rekenen. Als leraar voel ik me niet direct verbonden met de noodzaak om een cito score omhoog te brengen en zeker niet de Pisa-scores van Nederland. Voor mij zijn individuele ontwikkeling en prestaties op een breder terrein belangrijk; hoe kan een groep meer voor elkaar betekenen? Ik kan me heel goed voorstellen dat de aandacht voor bewegen en gezond eten net zo belangrijk kan zijn, zeker in een tijd waarin kinderen steeds dikker worden. In een groter verband moeten we meer aandacht besteden aan samenwerken, en aan de talentontwikkeling van het individu. In die zin hecht ik niet veel waarde aan de geïsoleerde focus op rekenen en taal. Daarbij komt ook dat als je een langere tijd je rekenvaardigheden niet hebt geoefend je die ook kwijt raakt. Mensen met een goede opleiding en baan zijn soms niet meer in staat om een simpele staartdeling te maken. Dat is helemaal niet vreemd; je gebruikt het gewoon niet in je dagelijks leven.”
Er wordt vanuit gegaan dat een goede beheersing van taal en rekenen betekent dat je meer waarde toevoegt aan de maatschappij, en dat je rol op de arbeidsmarkt wordt vergroot.
“Ik kan me wel voorstellen dat er een sterke relatie is met de taal. Taal is een voertuig voor communicatie: een voertuig voor denken, voor redeneren en voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën, en dat alles bij voorkeur in verbinding met anderen. Maar toch is taal eerder een bijproduct van iets anders, en daar zou je je meer op kunnen richten. Als leerlingen niet genoeg samen doen, of geen interesse hebben in specifieke onderwerpen of thema’s, dan is er ook geen behoefte aan taalkennis. Taal is een instrument en een voertuig: er moet een reden zijn om het te gebruiken. Daarom zou ik vooral met jongeren op zoek willen gaan waar ze echt warm voor lopen. Taal maakt hun ambitie mogelijk, maar taal maakt geen ambitie.”
Het kabinet-Rutte II bezuinigt overal, behalve in het onderwijs. Daar wordt juist in geïnvesteerd, en dan voornamelijk in de ontwikkeling en begeleiding van jonge docenten.
“Ik kan me nog heel goed herinneren toen ik als onderwijzer in het basisonderwijs begon. Ik kwam net van de kweekschool af en werd aan mijn lot overgelaten. Ik had geen ervaring en opeens stond ik voor een grote klas kinderen en wist niet hoe ik het moest aanpakken. Ik vind het heel goed dat je wordt opgevangen door ervaren collega’s als je als jonge leraar in een school komt,. Elke school is uniek en heeft zijn eigen problematiek. Daar heb je als beginnende docent hulp bij nodig om mee om te gaan. Het organiseren van een professionele werkcultuur in een school begint daarom bij een lerende organisatie. Hoe maak je van een school een aantrekkelijke leeromgeving voor de leraar? Daar zie ik aanknopingspunten voor de opvang en begeleiding van jonge leraren, maar ook van oudere leraren. Als een wiskundeleraar zegt dat hij zich niet meer hoeft te professionaliseren omdat de wiskundesommen hetzelfde zijn als die van vroeger, vergeet hij dat zijn publiek wel verandert. De jongeren van nu kijken op een andere manier naar de leraar en het vak. Het bij elkaar brengen van oudere en jongere leraren en die goed laten samenwerken: daar liggen mooie kansen.”
Er is steeds meer differentiatie in het onderwijs. Klassen zijn gevuld met kinderen die willen excelleren, maar ook met kinderen die een leerachterstand hebben of een (lichamelijke of geestelijke) handicap. Wat zijn daarin mogelijkheden en valkuilen voor scholen en docenten?
“Er wordt bijzonder vakmanschap van de leraar gevraagd om aan al die verschillende individuele behoeftes tegemoet te komen. Dat is niet makkelijk, daar moet je veel voor in huis hebben. Met steun van collega’s kan je uitvinden hoe je dat als leraar moet aanpakken. Als wij vanuit LOOK aan de Open Universiteit onderzoek doen, horen wij leraren vaak zeggen dat ze aan formele trainingen en cursussen weinig hebben. Ze sluiten niet goed aan bij de praktijk, kosten teveel tijd, en vaak is de kwaliteit ook niet goed.
Dat is ook een reden waarom u pleit voor een lerende cultuur binnen een school, in plaats van een traditionele onderwijsplek waar een aantal dagen per jaar een cursus wordt gevolgd.
“Inderdaad. Als wij aan leraren vragen waar ze echt iets aan hebben gehad, is dat vooral het samenwerken met collega’s aan onderwijsvernieuwing en –methodes. Bijvoorbeeld op bezoek gaan bij collega’s op andere scholen om kennis uit te wisselen over innovatieve ontwikkelingen in het onderwijs, zoals het gebruik van digitale hulpmiddelen, het betrekken van ouders, het omgaan met taalachterstand en het terugdringen van uitval. Voor dat soort professionele gemeenschappen wil ik een sterk pleidooi houden. Het is de moeite waard om aan die ruimte te werken; een hele andere aanpak dan zo maar cursusgeld uitdelen per school per jaar.”
In het Passend Onderwijs wordt de rol van de ouder steeds groter. Ouders nemen bijvoorbeeld plaats in een medezeggenschapsraad, en willen weten waar het geld voor hun kind aan wordt besteed. Tegelijkertijd wil de docent zijn autonomie behouden en niet teveel rekenschap afleggen aan ouders.
“Het positieve verhaal is dat een grote betrokkenheid van ouders bij de school altijd goed is. Een hechte samenwerking tussen school en ouder is goed voor de ontwikkeling van een kind. De leraar heeft het vaak ook erg druk, dus is de actieve participatie van ouders in de klas fantastisch. Maar er is ook een negatieve kant, wat vergelijkbaar is met de huidige relatie tussen patiënt en huisarts. De patiënt zoekt thuis op internet alles op, en gaat dan naar de huisarts met een voorstel voor zijn medicatie en behandeling. De patiënt treedt als het ware in de professionele ruimte van de arts. Op scholen kan dat ook gebeuren: ouders die zich veel bemoeien met instructiestrategieën en pedagogische middelen. Er kan dan spanning ontstaan als ouders heel actief invloed en zelfs macht gaan uitoefenen als het gaat om de inrichting van de leersituatie. Hoe je op een passende manier omgaat met de actieve betrokkenheid van ouders is een interessant vraagstuk. En ook daar hebben leraren elkaar nodig: hoe pakken we dit gezamenlijk aan?”
Een vraag die altijd terugkomt in onze interviewreeks is hoe u het onderwijs van morgen ziet. Hoe is het onderwijs over een aantal decennia in Nederland ingericht?
“Heel eerlijk gezegd wil ik af van het onderwijs waar een belangrijk accent ligt op het disciplineren van gehoorzaamheid en het conformeren aan systemen waarbij de formele leerstof belangrijker is dan de individuele leerwensen van jongeren. Veel van de kenmerken van het huidige onderwijs komen voort uit de disciplinering die ontstond tijdens de industriële revolutie, waarbij onaangepaste kinderen klaargestoomd moesten worden om in de fabriek te kunnen werken. Disciplineren en misschien wel ‘domesticeren’ was een belangrijke functie van het onderwijs. Maar er is veel veranderd. Het huidige idee van het onderwijs is om het talent en het individu te ontwikkelen en daar meer mogelijkheden voor te bieden. Wat voor samenleving wil je? Hoe wil je met elkaar omgaan? En wat is de verwachting in de kennismaatschappij waar iedereen een bijdrage moet leveren op grond van zijn of haar talent, wat dat talent ook zou mogen zijn. Dat zijn vragen die ik zou willen verkennen in de betekenis voor de toekomstige school. Minder gericht op discipline, en meer kijken naar individueel talent en de ontwikkeling van samenwerkend leren.”
“Toen ik mijn neefje laatst vroeg hoe het op school ging, gaf hij als antwoord: ‘School? Dat is de tijd dat ik offline ben’ hij voelt zich daar afgesloten van de wereld waar hij bij wil horen. Dat is zo’n betekenisvolle uitspraak. Internet is zijn zuurstof. Sommige kinderen hebben moeite om naar school te gaan omdat ze het idee krijgen dat ze daar niet nodig zijn, maar het moet. Leerlingen hebben andere verwachtingen van een school dan we nu waarmaken. De school moet een plek zijn waar je als leerling nodig bent, waar je welkom bent, waar je aan betekenisvolle dingen werkt, waar je je kunt ontwikkelen. Een plek die spannend is.”
“Ik zou het leuk vinden als de school van de toekomst meer kenmerken krijgt zoals de kenmerken van Social Media: een grote mate van autonomie en anarchie die gericht is op een levendige uitwisseling van informatie. Maar waar je tegelijkertijd moeite doet om aantrekkelijk voor elkaar te zijn. Waar ligt bijvoorbeeld het talent en de interesse van een kind? Ik denk dat we daar als samenleving meer mee opschieten dan wanneer iedereen aan het einde van het jaar hetzelfde boekje heeft geleerd en voor dezelfde gestandaardiseerde toets kan slagen. En dan zeggen we natuurlijk dat die te gemakkelijk is.”
